Werken met landelijk doelgroepenmodel

 

De 8 stappen van het werken met het doelgroepenmodel

 

Bij het invullen van het model en de onderleggers hebben de orthopedagogen, psychologen en intern begeleiders een spilfunctie. Juist omdat het model geënt is op wetenschappelijke bronnen, is het invullen ervan geen vanzelfsprekendheid. 

 

Cyclisch werken

Het landelijk doelgroepenmodel is gebaseerd op de cyclus van het handelingsgericht werken. Het OPP bevat de doelgroep en de te bereiken uitstroombestemming voor de leerling. Zie hiervoor ook het model ontwikkelingsperspectiefplan dat beschikbaar is als onderlegger bij het landelijk model doelgroepen. Het gaat hier om een voorbeeld. Deze is de vinden op de website: doelgroepen-model.lecso.nl

 

Nadat een leerling in een doelgroep is geplaatst, is het zaak de ontwikkeling van de leerling systematisch te evalueren en monitoren. De onderwijsinspectie vraagt van de scholen ten minste eenmaal per jaar te bepalen of de leerling zich volgens de verwachting ontwikkelt. De school moet dus vaststellen of de leerling zich conform, gunstiger of ongunstiger dan het vastgestelde OPP ontwikkelt. Zoals ook de onderwijsinspectie aangeeft, kan de school eerder ingrijpen als vaker wordt getoetst of de leerling ‘op koers’ ligt. Voor het goed monitoren zijn (half)jaarlijkse concrete tussendoelen een voorwaarde.

 

 

Stapsgewijs invullen

 

Stap 1 - Het vaststellen van het instroomprofiel

 

De school weet voor welke leerlingen binnen zes weken een OPP moet worden opgesteld. Het bestuur is daarvoor verantwoordelijk, maar feitelijk is de Commissie voor de Begeleiding (CvdB) aan zet. Allereerst wordt een compleet beeld van de leerling in het instroomprofiel geschetst. Bronnen hiervoor zijn onder meer het leerlingdossier, (eigen) (psychologisch) onderzoek, leerresultaten, medische gegevens en informatie uit de thuissituatie. Vervolgens wordt in het instroomprofiel de leerling ingeschaald op de vijf dimensies van menselijk functioneren.

In het landelijk doelgroepenmodel zijn deze vijf dimensies vertaald naar:

1. verstandelijke mogelijkheden: (verbaal en performaal) IQ

2. adaptief gedrag: een inschatting van de ontwikkelingsleeftijd, het didactisch functioneringsniveau en de leerstandaard

3. participatie: omschrijving van functioneren in andere settings zoals gezin, sportclub.

4. gezondheid en etiologie: omschrijving van fysieke en medische situatie

5. context: omschrijving van de sociale en fysieke omgeving

 

Verder brengt de CvdB in kaart welke leerling- en contextfactoren het onderwijsproces kunnen bevorderen of juist belemmeren en (mede) bepalen of de leerling de uitstroombestemming kan bereiken. Het instroomprofiel biedt de aangrijpingspunten voor het handelen en is leidend voor het vaststellen van de verwachte uitstroombestemming.

 

Stap 2 - Het vaststellen van de uitstroombestemming

Op basis van het instroomprofiel – de scores, de omschrijvingen en de bevorderende en belemmerende factoren – stelt de CvdB de uitstroombestemming vast. Deze is gebaseerd op een inschatting van de ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling. Daarbij spelen zowel de context als de concrete instroomeisen van de vervolgvoorziening mee. Het verstandelijk functioneren is richtinggevend bij het vaststellen van de uitstroombestemming. De CvdB gaat uit van hoge maar ook realistische verwachtingen en schrijft een duidelijke onderbouwing voor de keuze van de uitstroombestemming.

 

Doelgroep

Leerlingen uit het (primair) SO stromen uit naar:

Leerlingen uit het VSO stromen uit naar:

1

VSO

Belevingsgerichte dagbesteding

2

VSO

Taakgerichte en activerende dagbesteding

3

VSO

(beschut) werk

4

V(S)O / PrO

Arbeid 

5

V(S)O / PrO/ VMBO (BBL)

Arbeid / vervolgonderwijs

6

V(S)O /VMBO (KBL, GTL)

Vervolgonderwijs

7

V(S)O HAVO/ VWO

Vervolgonderwijs

 

Figuur 1: Het complete beeld van voorbeeldleerling Ansu aan de hand van het instroomprofiel, dat leidt tot het vaststellen van de uitstroombestemming:

Ansucasus.png

Bij jonge, startende leerlingen is nog met minder zekerheid te zeggen welke uitstroombestemming en welke eindniveaus de leerling kan behalen. In de communicatie met ouders over de te verwachten ontwikkeling wordt dan ook nog in globale termen gesproken. Uit onderzoek door Cito (Clijsen, 2009) blijkt dat na drie evaluatiemomenten (ten aanzien van de didactische vakken) het perspectief meer nauwkeurig is aan te geven. Vanaf dat moment kan de uitstroombestemming specifieker met de ouders gecommuniceerd worden.

 

Stap 3 - Het vaststellen van de doelgroep en de eindniveaus (SO of VSO) voor de ontwikkelingsdomeinen

Zie hiervoor de kijkwijzer beheersingsdoelen leerstandaard SO of VSO

 

Op basis van de gegevens van het instroomprofiel en de verwachte uitstroombestemming wordt vervolgens voor ieder ontwikkelingsdomein of kernvak het uitstroomniveau vastgesteld. Dit bepaalt waar de leerling naar toe werkt en welke leerlijnen worden gevolgd. De leerlijnen van de diverse doelgroepen zijn uitgezet in de onderlegger kijkwijzers beheersingsdoelen leerstandaard. Deze zijn te downloaden op doelgroepenmodel.lecso.nl onder ‘downloads’. Ook wordt er een overzicht gegeven van de koppeling van het doelgroepenmodel aan CITO toetsen voor SO en VSO. U kunt hiervoor ook in de verklarende woordenlijst kijken onder ‘Cito-toetsen koppeling’.

 

Zo kunt u voor elke leeftijd bepalen aan welke doelen u dient te werken om het gestelde uitstroomniveau, passend bij doelgroep en leeftijd, te behalen. In één oogopslag is zichtbaar wat per vakgebied verwacht wordt van de leerling aan het einde van de basisschool/SO-periode, respectievelijk het einde van de V(S)O-periode. Dit wordt weergegeven als een ontwikkelingslijn, zodat ook tussendoelen zichtbaar worden.

 

Voor het SO worden de leerlijnen van Plancius, CED-ZML, CED PO/SBO en Passende Perspectieven gehanteerd. Voor het VSO de CED VSO leerlijnen voor doelgroep 1 t/m 5. Voor doelgroepen 6 en 7 zijn de reguliere VO-eindtermen leidend. Voor de hoogste doelgroepen gelden de referentieniveaus.

 

Het uitgangspunt in het onderwijsaanbod is de toegekende uitstroombestemming, echter een leerling volgt verschillende leerroutes. Bijvoorbeeld: een leerling met uitstroombestemming (beschutte) arbeid kan beschikken over relatief sterke mogelijkheden voor wat betreft lezen. Voor deze leerling worden de doelen van doelgroep 4 voor lezen richtinggevend.

 

Een ander voorbeeld is een leerling met doelgroep 3, voor wie het ontwikkelingsdomein zelfredzaamheid een grote belemmering vormt. Voor deze leerling worden de doelen van doelgroep 2 voor zelfredzaamheid richtinggevend.

 

Voor de doelgroepen 6 en 7 kan er een risico op uitval naar arbeid worden gesignaleerd in de laatste twee jaar (in plaats van de verwachte uitstroom naar vervolgonderwijs). In dat geval is het verstandig werknemersvaardigheden toe te voegen aan de gedefinieerde eindniveaus van de leerling.

 

Stap 4 - Vaststellen ondersteuningsbehoefte

Zie hiervoor de invulwijzer ondersteuningsbehoefte

 

Na het bepalen van de doelgroep geeft u aan welke omgeving en welke ondersteuning de leerling nodig heeft om de beoogde eindniveaus daadwerkelijk te kunnen realiseren. De ondersteunings-behoeften van de leerling worden in kaart gebracht op het gebied van leren en ontwikkelen, de sociaal-emotionele ontwikkeling, communicatie, fysiek ondersteuning, medische ondersteuning, in de thuissituatie/buiten school en ten behoeve van de leraar/school.

De intensiteit van de ondersteuningsbehoefte geeft u aan middels een score van 1: zeer intensieve ondersteuning tot 7: leeftijdsadequaat. Tevens beschrijft u de concrete ondersteuningsbehoefte voor de verschillende gebieden.

 

Stap 5 - Vaststellen OPP en uitwerking groepsplan

Zie hiervoor het model ontwikkelingsperspectiefplan

Na een ‘op overeenstemming gericht’ overleg met ouders/wettelijk vertegenwoordigers en waar mogelijk met de leerling, stelt de CvdB binnen zes weken het OPP vast. Het is duidelijk waar de school met de leerling naar toe werkt zodat hij of zij straks goed kan functioneren in de dagbestedings-, arbeids- of vervolgonderwijssituatie. Het model ontwikkelingsperspectiefplan is te downloaden op doelgroepenmodel.lecso.nl.

 

De leraar werkt het landelijk doelgroepenmodel uit in groepsplannen. In een groepsplan clusteren leraren leerlingen met vergelijkbare doelen en/of ondersteuningsbehoeften. Voor ieder vakgebied uit het model wordt dit opgesteld. Daar waar het groepsplan voor de leerling niet toereikend is (of waar de school ervoor kiest voor elke leerling gepersonaliseerd te werken) wordt een aanvullend individueel handelingsplan opgesteld.

 

Stap 6 - Evalueren op leerlingniveau

 

Het is algemeen gebruikelijk om tenminste twee keer per schooljaar in het leerlingvolgsysteem de voortgangsgegevens in te voeren en de voortgang van leerlingen te evalueren. Ten minste één keer per jaar (liefst twee keer) leggen leraren voor elk ontwikkelingsdomein vast of leerlingen zich conform, ongunstiger of gunstiger hebben ontwikkeld dan het beoogde niveau. Een dergelijk evaluatie vraagt van leraren dat zij de resultaten analyseren, een conclusie formuleren en aangeven welke vervolgmaatregelen of prioriteiten zij in de komende periode gaan stellen.

 

De groepsbespreking is een belangrijk schakelmoment in de begeleiding van en zorg voor leerlingen. Dan wordt bepaald of de leerling zich volgens de leerroute - en dus volgens verwachting - ontwikkelt. De eerste groepsbespreking is vooral bedoeld om te bepalen of de leerling ‘op koers’ ligt.

 

Aan het einde van het schooljaar wordt besproken of de gemaakte keuzes nog passend zijn bij de ontwikkeling die de leerling doormaakt. Aan de hand daarvan kan voorgesteld worden het OPP naar boven of naar beneden bij te stellen. Bijstellen naar beneden kan alleen als de leerling een geheel zorgtraject heeft doorlopen. Bijvoorbeeld via een individueel handelingsplan. Uiteraard gebeurt dit in samenspraak met ouders. Leerlingen die zich niet naar verwachting ontwikkelen komen op schoolniveau in beeld. Deze leerlingen worden meestal vanuit de groepsbespreking aangemeld voor een leerlingbespreking of voor evaluatie in de CvdB.

 

 

Stap 7 - Opbrengsten van het onderwijs in het kader van de kwaliteitszorg

Een door de schoolleiding aangewezen medewerker vat de evaluaties met de resultaten op groepsniveau samen in een schooloverzicht en maakt een kwantitatieve analyse. In het school-overzicht wordt zichtbaar welk percentage leerlingen zich conform, gunstiger of ongunstiger ontwikkelt dan verwacht. Ook geeft het overzicht een indicatie van de kwaliteit van het gerealiseerde onderwijs in de verschillende groepen, de verschillende leerjaren en verschillende vakgebieden. Via de analyse komt de school bijvoorbeeld zwakke en sterke punten in een doelgroep op het spoor. De informatie geeft een helder beeld van de opbrengsten van het onderwijs.

Door de systematische gezamenlijke reflectie op de beschikbare gegevens ontstaat in toenemende mate inzicht in de sterke en zwakke onderdelen van het onderwijsaanbod en -aanpak, het effect daarvan op de kwaliteit van de leerlingresultaten en de condities die hierop van invloed (kunnen) zijn. Op schoolniveau is zichtbaar waar zich mogelijke risico’s voordoen of zich in de toekomst kunnen gaan voordoen, waarop de schoolleiding (structurele) maatregelen kan nemen om verbeteringen te realiseren.

 

De school brengt in kaart of het eindniveau van de leerlingen van de eindgroep overeenkomt met de verwachte uitstroombestemmingen. Geanalyseerd kan worden in welke mate de nagestreefde uitstromen daadwerkelijk zijn gerealiseerd. Dit gebeurt ook voor wat betreft de bestendiging. Uitgangspunt is dat het onderwijs de leerling voldoende toerust om zich met succes in de uitstroombestemming te kunnen handhaven. De onderwijsinspectie gebruikt als criterium dat leerlingen twee jaar na plaatsing nog steeds op die plek zitten. Het is dus zaak om dit jaarlijks via een verzamelstaat inzichtelijk te maken. Daarna kan geanalyseerd worden in hoeverre het geboden onderwijs hier wel of niet aan bijdraagt.

 

 

Stap 8 - De verantwoording aan het bestuur

 

Besturen zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs. Zij zijn daarop aanspreekbaar. Opbrengstgericht besturen betekent dat het bestuur zich in zijn beleid laat leiden door de uitkomsten van het onderwijs. De schoolleiding stuurt ten minste één keer per jaar het overzicht op schoolniveau naar het bestuur, voorzien van een kwantitatieve en kwalitatieve analyse, de conclusies en beleidsvoornemens. In de bespreking focust het bestuur op de gerealiseerde opbrengsten en de mate van bestendiging.