Theoretische achtergrond en werkwijze

De wetenschappelijke basis van het landelijk doelgroepenmodel 

Het model is ontwikkeld in de dagelijkse praktijk en onderbouwd vanuit wetenschappelijke bronnen. 

Het landelijk doelgroepenmodel is gebaseerd op het algemeen model van menselijk functioneren, het AAIDD-model [1]. Dit model is uitgewerkt voor mensen met een verstandelijke beperking en/of ontwikkelingsstoornis, maar is ook goed bruikbaar bij andere (bijvoorbeeld fysieke) beperkingen. Het is namelijk geen “dichtgetimmerd” sjabloon. De gebruiker kan het model aanvullen, maar ook dimensies weglaten. Bovendien is het model niet alleen analytisch, maar streeft het ook naar een compleet (mens)beeld met ruimte voor subjectieve waarderingen. Dit uitgangspunt vinden we ook terug bij de uitwerking van Pameijers Handelingsgerichte diagnostiek [2]. Evenals Pameijer baseren wij ons op wetenschappelijk onderzoek, theoretische inzichten en praktijkervaringen. Via een cyclische werkwijze ontdekt de professional individuele onderwijsbehoeften van leerlingen om hier vervolgens naar te handelen. 



[1] American Association of Intellectual and Developmental Disorders

[2] Noelle Pameijer & Nina Draaisma Handelingsgerichte diagnostiek in de jeugdzorg Acco 2011

 

 


 

Ondersteuning

Het AAIDD-model, en daarmee ook het landelijk doelgroepenmodel, gaat ervan uit dat het functioneren van mensen (met een beperking) te begrijpen is vanuit een combinatie van vijf dimensies. De dimensies omvatten de interacties tussen:

• De aanwezige persoonlijke competenties;

• De omgevingseisen;

• De ontvangen ondersteuning.

 

Het begrip ondersteuning heeft een centrale plaats in het model. De benodigde ondersteuning kan afgeleid worden uit een sterkte-zwakte analyse op de vijf dimensies: dit wordt zichtbaar in de beschrijving van de bevorderende en belemmerende factoren. Het functioneren van de persoon is dus mede afhankelijk van een adequate ondersteuning op deze vijf dimensies.

 

Figuur 1: Het AAIDD-model ziet er als volgt uit:

Web_Lecso_Model_1_small.png 

Om het landelijk doelgroepenmodel goed te kunnen hanteren, moeten we zicht krijgen op de aard en omvang van de beperking in relatie tot de benodigde ondersteuning. 

Ondanks alle verschillen tussen leerlingen in het speciaal onderwijs zien we ook gemeenschappelijke kenmerken. Uit een gezamenlijk kenmerk volgen vaak ondersteuningsbehoeften, die voorwaardelijk zijn om optimaal te kunnen functioneren en tot maximale ontwikkeling te kunnen komen (zie invulwijzer ondersteuningsbehoefte). Aan elke leerling is een leerroute gekoppeld die leidt naar een uitstroombestemming. Per doelgroep worden de leerlingen ondersteund met een op hen afgestemde didactiek, methodiek en begeleidingsstijl. We sluiten aan bij de leerstijl(en) die in die doelgroep dominant zijn. 


Filmpje over het vaststellen van het ontwikkelingsperspectief in een Commissie voor de Begeleiding


 

Het AAIDD-model vertaald naar het landelijk doelgroepenmodel

Om van instroomprofiel naar uitstroombestemming te komen, volgt het doelgroepenmodel de drieslag van het AAIDD-model. Zo ontstaat een verantwoorde match tussen mogelijkheden en beoogd resultaat.

Web_Lecso_Model_3_large.png

Stap 1 Vaststellen instroomprofiel of actuele beeld

De school weet voor welke leerlingen binnen zes weken een OPP moet worden opgesteld. Het bestuur is daarvoor verantwoordelijk, maar feitelijk is de Commissie voor de Begeleiding (CvdB) aan zet. Allereerst wordt een compleet beeld van de leerling in het instroomprofiel geschetst. Bronnen hiervoor zijn onder meer het leerlingdossier, (eigen) (psychologisch) onderzoek, leerresultaten, medische gegevens en informatie uit de thuissituatie. Vervolgens wordt in het instroomprofiel de leerling ingeschaald op de vijf dimensies van menselijk functioneren.

In het landelijk doelgroepenmodel zijn deze vijf dimensies vertaald naar:

1. verstandelijke mogelijkheden: totaal IQ;

2. adaptief gedrag: een inschatting van de sociaal-emotionele ontwikkelingsleeftijd, het huidige didactische functioneringsniveau en het huidige niveau op de leerstandaard;

3. participatie: omschrijving van functioneren in andere settings zoals gezin, sportclub;

4. gezondheid en etiologie: omschrijving van fysieke en medische situatie en ondersteuning in het verleden;

5. context: omschrijving van de sociale en fysieke omgeving.

 

Verder brengt de CvdB in kaart welke leerling- en contextfactoren het onderwijsproces kunnen bevorderen of juist belemmeren en (mede) bepalen of de leerling de uitstroombestemming kan bereiken. Het instroomprofiel/actuele beeld (of combinatie van meerdere actuele beelden: een film van ontwikkeling) biedt de aangrijpingspunten voor het handelen en is leidend voor het vaststellen van de verwachte uitstroombestemming.

 

Stap 2 Vaststellen uitstroombestemming

  • Aangeven van de maximaal haalbare, realistische uitstroombestemming, gezien het instroomprofiel en/of één of meer actuele beelden
  • Onderbouwen van de gekozen uitstroombestemming

Op basis van het instroomprofiel of het actuele beeld (of meerdere beelden) – de scores, de omschrijvingen en de bevorderende en belemmerende factoren – stelt de CvdB de uitstroombestemming vast. Deze is gebaseerd op een inschatting van de ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling op de langere termijn. Daarbij spelen zowel de context, het aantal resterende leerjaren als de concrete instroomeisen van de vervolgvoorziening mee. De CvdB gaat uit van hoge maar ook realistische verwachtingen en schrijft een duidelijke onderbouwing voor de keuze van de uitstroombestemming.

 

Stap 3 Vaststellen van het aanbod in de directe toekomst op leergebieden

Op basis van de verwachte uitstroombestemming wordt vervolgens voor ieder ontwikkelingsdomein of kernvak het uitstroomniveau vastgesteld. Dit bepaalt waar de leerling naar toe werkt en welke leerlijnen worden gevolgd. De leerlijnen van de diverse doelgroepen zijn uitgezet in de onderlegger kijkwijzers beheersingsdoelen leerstandaard. Deze zijn te rechtsboven te downloaden onder ‘downloads’ en onderaan op de homepage.

Het landelijk doelgroepenmodel doet geen uitspraak over de passende tussenniveaus. Dit dient de school zelf te bepalen. Deze tussenniveaus zijn wel nodig om te kunnen beoordelen of een leerling ‘op koers ligt’. U kunt dit op schoolniveau bepalen, of met de stichting/het bestuur. Op basis van de tussenniveaus kunt u voor elke leerling bepalen aan welke doelen u de komende termijn dient te werken om het gestelde uitstroomniveau, passend bij doelgroep en leeftijd, te behalen.

  • Vaststellen van de in de directe toekomst te volgen leerlijnen voor de diverse ontwikkelingsdomeinen, zoals: sociaal-emotionele ontwikkeling, praktische redzaamheid, leren leren, zintuiglijke en motorische ontwikkeling, mondelinge en schriftelijke taal, rekenen en wiskunde. En in het VSO o.a.: Engels, leergebiedoverstijgende ontwikkelingsdomeinen (leren leren, leren functioneren in sociale situaties, leren taken uitvoeren en ontwikkelen van een persoonlijk toekomstperspectief) en voorbereiding op dagbesteding en arbeid. Zie hiervoor de kijkwijzers beheersingsdoelen leerstandaard SO en VSO.
    • In het model OPP bij het doelgroepenmodel wordt eerst het instroomprofiel of het actuele beeld ingevuld. U vult hier overal de huidige situatie in. Vervolgens bekijkt u hoe de huidige stand van zaken zich -gezien de huidige leeftijd/het aantal resterende leerjaren- verhoudt tot de sociaal-emotionele ontwikkelingsleeftijd/de eindniveaus die staan omschreven in het doelgroepenmodel. Is de ontwikkelingsleeftijd conform kalenderleeftijd? Ligt de leerling op koers naar uitstroombestemming? Dan vult u de passende doelgroep in, richting die uitstroombestemming. Is er sprake van een afwijkende sociaal-emotionele ontwikkelingsleeftijd, of een leerniveau dat niet past bij dat leerjaar (terug geredeneerd vanaf het eindniveau), dan vult u de bijbehorende cel in (hoger of lager). Het landelijk doelgroepenmodel doet geen uitspraak over de passende tussenniveaus. Dit dient de school zelf te bepalen. Deze tussenniveaus zijn wel nodig om te kunnen beoordelen of een leerling ‘op koers ligt’. U kunt dit op schoolniveau bepalen, of met de stichting/het bestuur.
  • Beschrijven van de benodigde ondersteuning voor de leerling met betrekking tot leren en ontwikkeling, sociaal-emotioneel en gedrag, communicatie, fysieke en/of medische ondersteuning, executieve functies, benodigde ondersteuning voor de leraar/school en in de thuissituatie. Zie hiervoor de invulwijzer ondersteuningsbehoefte. Deze is te rechtsboven te downloaden en onderaan op de homepage.

 

Stap 4 Vaststellen ondersteuningsbehoefte

Na het bepalen van het aanbod geeft u aan welke omgeving en welke ondersteuning de leerling nodig heeft om de beoogde niveaus daadwerkelijk te kunnen realiseren. De ondersteuningsbehoeften van de leerling worden in kaart gebracht op het gebied van leren en ontwikkelen, sociaal-emotionele ontwikkeling, communicatie, fysieke ondersteuning, medische ondersteuning, ondersteuning t.a.v. de executieve functies, ondersteuning in de thuissituatie/buiten school en ten behoeve van de leraar/school.

De intensiteit van de ondersteuningsbehoefte geeft u aan middels een score van zeer intensieve ondersteuning tot leeftijdsadequaat/op afroep. Tevens beschrijft u de concrete ondersteuningsbehoefte voor de verschillende gebieden. De invulwijzer is rechtsboven te downloaden onder ‘downloads’ en onderaan op de homepage.

 

Stap 5 Vaststellen OPP en uitwerking groepsplan

Na een ‘op overeenstemming gericht’ overleg met ouders/wettelijk vertegenwoordigers en waar mogelijk met de leerling, stelt de CvdB (binnen zes weken) het OPP vast. Het is duidelijk waar de school met de leerling naar toe werkt zodat hij of zij straks goed kan functioneren in de dagbestedings-, arbeids- of onderwijssituatie. 

De leraar werkt de OPP’s uit in groepsplannen. In een groepsplan clusteren leraren leerlingen met vergelijkbare doelen en/of ondersteuningsbehoeften. Voor ieder vakgebied uit het model wordt dit opgesteld. Daar waar het groepsplan voor de leerling niet toereikend is (of waar de school ervoor kiest voor elke leerling gepersonaliseerd te werken) wordt een aanvullend individueel handelingsplan/ gepersonaliseerd plan opgesteld.

 

Stap 6 Evalueren op leerlingniveau

Het is algemeen gebruikelijk om tenminste twee keer per schooljaar in het leerlingvolgsysteem de voortgangsgegevens in te voeren en de voortgang van leerlingen te evalueren. Ten minste één keer per jaar (liefst twee keer) leggen leraren voor elk ontwikkelingsdomein vast of leerlingen zich conform, ongunstiger of gunstiger hebben ontwikkeld dan het beoogde niveau. Een dergelijk evaluatie vraagt van leraren dat zij de resultaten analyseren, een conclusie formuleren en aangeven welke vervolgmaatregelen of prioriteiten zij in de komende periode gaan stellen.

De groepsbespreking is een belangrijk schakelmoment in de begeleiding van en zorg voor leerlingen. Dan wordt bepaald of de leerling zich volgens de leerroute - en dus volgens verwachting - ontwikkelt. De eerste groepsbespreking is vooral bedoeld om te bepalen of de leerling ‘op koers’ ligt.

Aan het einde van het schooljaar wordt besproken of de gemaakte keuzes nog passend zijn bij de ontwikkeling die de leerling doormaakt. Aan de hand daarvan kan voorgesteld worden de uitstroombestemming naar boven of naar beneden bij te stellen. Bijstellen naar beneden kan alleen indien de CvdB betrokken is (geweest) bij de leerling. Bijvoorbeeld via een individueel handelingsplan. Uiteraard gebeurt dit in samenspraak met ouders. Leerlingen die zich niet naar verwachting ontwikkelen komen op schoolniveau in beeld. Deze leerlingen worden meestal vanuit de groepsbespreking aangemeld voor een leerlingbespreking of voor evaluatie in de CvdB.